Drents Museum in Assen ( de geschiedenis)

museum_nieuw01

Bronvermelding:
Asser Historisch Tijdschrift; nummer 3 / september 2011. Een artikel van Bertus Boivin en Bert Ritsema. De Brink op een ansicht uit het begin van de twintigste eeuw. Het Gouvernements gebouw rechts op de foto werd in 1973 als museum in gebruik genomen. (collectie DMA)

In 1854 werd het Provinciaal Oudheidkundig Museum in Assen een feit. Daarmee is het Drents Museum één van de oudste musea van Nederland, bijna veertig jaar ouder dan het Groninger Museum voor Stad en Lande om een voorbeeld te noemen. De heropening van het Drents Museum in november 2011 is voor de redactie van het Asser Historisch Tijdschrift een mooie gelegenheid om het verhaal van het museum eens op een rij te zetten.
De catalogus bevatte 234 volgnummers

Dankzij een geslaagde lobby van een aantal Asser heren werd in 1854 het negende Nederlandsen Landhuishoudkundig Congres in de Drentse hoofdstad gehouden. Het congresbestuur onder leiding van Kamerlid mr. Louis graaf van Heiden Reinestein en de Asser burgemeester Hendrik Jan Oosting vond dat er naast de vergaderingen ook allerlei culturele en ontspannende activiteiten moesten komen. Zo kwamen ze op het idee om een tentoonstelling te organiseren waar de bezoekers zich konden vergapen aan oudheden uit het verre verleden van Drenthe. Voor de organisatiecommissie van deze Tentoonstelling van Oudheden’werden de Asser heren mr. Harm Jan Smidt en mr. Lucas Oldenhuis Gratama uitgenodigd plus de om zijn historische kennis alom vermaarde Coevorder boekhandelaar Dubbeld Hemsing van der Scheer, een van de drie Podagristen.

In een landelijk verspreide circulaire riepen de organisatoren verzamelaars op om hun kostbaarheden in bruikleen voor de tentoonstelling af te staan. Zo kwamen de Drentse collecties van het Leidse Museum van Oudheden en het museum van het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar Assen. Uit de eigen provincie kwamen de meeste objecten uit particuliere bezittingen en verzamelingen, zoals de prachtige collectie urnen van Jan Jacob Willinge uit Emmen. Van der Scheer stelde voor om een gedeelte van de veenbrug bij Valthe op te graven om als pronkstuk te worden uitgestald.

Uiteindelijk bevatte de catalogus 234 volgnummers die in vier categorieën werden getoond: geologie, numismatiek, archeologie en historie. Voor de tentoonstelling werd gebruikgemaakt van de lokalen van het Asser gymnasium. De bezoekers kregen tegen betaling van 25 cent ‘toegang tot de oudheden’, zoals een bord boven de ingang aangaf. Het negende Landhuishoudkundig Congres mocht zich met 810 congresdeelnemers verheugen in een ruime belangstelling. De beroemdste deelnemer was koning Willem III die gedurende twee dagen vrijwel alle activiteiten bezocht. Ook de tentoonstelling van oudheden mocht zich verheugen in zijn royale belangstelling.
De kast van mr. Lucas Oldenhuis Gratama

De Tentoonstelling van Oudheden’was een groot succes geworden. Waarom zou er geen permanente voortzetting van kunnen komen, vroeg mr. Lucas Oldenhuis Gratama? Deze alom bekende Assenaar was in 1854 benoemd tot ‘Regter in de Arrondissements Regtbank te Assen’. De kennelijk niet al te drukke baan op de rechtbank gaf Gratama tijd genoeg om zich diepgaand met het Drentse verleden bezig te houden. Hij was dan ook de juiste man om als lobbyist de oprichting van een oudheidkundig museum te bepleiten. Samen met mr. Harm Jan Smidt en rector dr. Michiel Jacobs Noordewier van het Asser gymnasium polste hij het provinciaal bestuur hierover. Begin november 1854 besloten de Drentse Staten tot oprichting van een Provinciaal Oudheidkundig Museum.

Als startkapitaal gaf de provincie een subsidie van 100 gulden. Hetzelfde bedrag werd uitgetrokken voor een kast om de collectie in het Provinciehuis aan de Brink uit te stallen. Een van de eerste aanwinsten waren de urnen van Willinge. In 1867 stelde het provinciebestuur richtlijnen op waarin de taken en plichten van het museumbestuur werden vastgelegd. Voor de collectie gold dat deze moest bestaan uit objecten die met Drenthe te maken hadden of daar waren gevonden. Het bestuur was verantwoordelijk voor de opsporing, verwerving, catalogisering en plaatsing van de collectie en moest ervoor zorgen dat deze op ‘alle werkdagen des voormiddags’ kosteloos kon worden bezichtigd.
Dr. Hartogh Heijs van Zouteveen als museumgids

De in de effectenhandel rijk geworden dr. Harmanus Hartogh Heijs van Zouteveen was in 1873 in Assen neergestreken. Driejaar later zat hij in het museum-bestuur. Op zijn voorstel besloot het bestuur een jaarboek uit te geven. ‘Drenthe heeft thans geen enkel orgaan, jaarboekje of ander periodiek geschrift, waar-door het op letterkundig gebied wordt vertegenwoor-digd en waarin Drentsche zaken en Drentsche oud-heden, Drentsche belangen en Drentsche letterkunde worden besproken’, luidde de motivatie om het jaar¬boek vanaf 1883 als Nieuwe Drentsche Volksalmanak bij uitgever Van Gorcum & Comp. te laten verschijnen. Hartogh Heijs werd de eerste redacteur van de almanak.

In de loop der jaren schreven tal van museum-bestuurders en correspondenten over hun kennis op archeologisch en historisch terrein in de Volksalmanak. Over de bezoekers in de eerste jaren van het museum is weinig bekend. Het zullen vooral familieleden en kennissen zijn geweest. Daarnaast zal het museum zeker ook uit wetenschappelijke kring belangstelling hebben getrokken. In 1877 ging het museum ervoor het eerst toe over de bezoekers via een gastenboek te registreren. Zo kon men vrij betrouwbaar vaststellen hoe groot de belangstelling was. In het eerste jaar van de registratie werden 97 bezoekers geteld, het jaar daarna zelfs 230 personen.

In 1879 kreeg het museum enige landelijke bekendheid toen in een van de populaire reisgidsen van Nederland de collectie van de Asser oudheidskamer uitvoerig aangeprezen werd: ‘een verzameling die zeer onze opmerkzaamheid verdient’. Auteur van deze reisgidsen was de Rotterdamse predikant J. Craandijk. Hij maakte handig gebruik van de nieuwe mogelijkheden om per trein door Nederland te reizen. Hartogh Heijs had dominee Craandijk langs de collectie van het Drents Museum gegidst. De uitvoerige neerslag van de rondleiding verscheen in 1879 in zijn Wandelingen door Groningen en Drenthe. Aan het eind van zijn verslag stelde Craandijk vast: ‘De ijverige Commissie van Bestuur verdient de krachtige en oordeelkundige medewerking harer gewestgenooten’.
De ogen en oren van het museum

Uitbreiding van de collectie door opsporing en verwerving van voorwerpen uit het verleden van Drenthe was vanaf de oprichting het belangrijkste doel. Het bestuur hield zich hier dan ook voornamelijk mee bezig. Naarmate andere taken, zoals catalogisering en conservering van de verzameling en de gebruikelijke bestuurszaken steeds meer tijd in beslag namen, was voor de uitbreiding van de collectie steeds minder tijd. Vanaf 1878 begon het museumbestuur correspondenten aan te stellen ‘ten einde in hunne woonplaats en omstreken in ’t belang der inrigting werkzaam te zijn.’ Hun taak was interessante vondsten uit hun omgeving aan het museumbestuur te melden. De correspondenten vormden zo de ogen en oren van het museum. Mede door het enthousiaste werk van de correspondenten bleef de museumcollectie groeien. En in het bestuur begon men zich zorgen te maken over de ontoereikende ruimte in het provinciehuis.
Verhuizing naar het torentje
Het museum wilde graag een eigen onderkomen waar de hele collectie kon worden getoond. Het dagelijks bestuur van de provincie hield echter de boot af en wilde voorlopig de portemonnee niet trekken. Uiteindelijk brachten de plannen van het rijk voor de bouw van een nieuw Rijksarchief het provinciaal bestuur in beweging. In 1895 werd de minister van Binnenlandse Zaken gevraagd om in het nieuwe Rijksarchiefgebouw ‘ruimte beschikbaar te stellen voor de berging van het provinciaal museum van oudheden’.

Het duurde een jaar voor de minister er positief op reageerde. Het museumbestuur mocht aangeven hoeveel ruimte men dacht nodig te hebben. Wel werd er nadrukkelijk aan toegevoegd dat men zich daarbij bescheiden diende op te stellen, want het museum kwam wel bij het Rijk inwonen! Voor de bouw van het Rijksarchief werd de hervormde pastorie achter het provinciehuis afgebroken.

Een deel van de oostelijke kloostergang werd in de nieuwbouw opgenomen, waardoor de nieuwe behuizing van het museum een historisch trekje meekreeg. In het voorjaar van 1901 kon het museum eindelijk met zijn hele collectie breed uitgestald de benedenverdieping van het nieuwe Rijksarchief in bezit nemen.
De vondsten van professor Van Giffen

Eind 1916 wist de Commissie van Bestuur van het Provinciaal Museum van Oudheden en Geschiedkundige Voorwerpen de 32-jarige Albert Egges van Giffen te strikken als tijdelijk conservator. Van Giffen had naam gemaakt als onderzoeker van de Groninger wierden en was op dat moment actief als archeoloog in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Van Giffen zou meer dan veertig jaar parttime aan het museum in Assen verbonden blijven. Gesponsord door een grote particuliere schenking begon Van Giffen onmiddellijk aan zijn grote hunebeddenonderzoek waarover hij in 1926-1927 het driedelige standaardwerk De Hunebedden in Nederland publiceerde. Hij toonde zich buitengewoon somber over de toestand van de hunebedden.

Meer dan de helft was in zijn ogen ‘in gehavenden staat’, of erger nog ‘in droevigen staat’. Van Giffen reisde met zijn medewerkers heel Drenthe af om zoveel mogelijk hunebedden te restaureren. Hij combineerde het altijd met systematisch wetenschappelijk onderzoek. De jaren twintig en dertig waren in Drenthe beslist hoogtijdagen voor de archeologen. Naast het hunebeddenonderzoek waren overal in de provincie grote heideontginningen aan de gang die op de meest onverwachte momenten tal van archeologische schatten aan het licht brachten. Met dozen tegelijk werden de vondsten het museum binnengebracht. De opgravingen van professor Van Giffen maakten het Drents Museum tot een van de Nederlandse topmusea op archeologisch gebied. Een positie die het museum tot op de dag van vandaag heeft behouden.
Directeur Helbers en het Ontvangershuis

Was museumbezoek voor de Tweede Wereldoorlog vooral voorbehouden aan een selecte groep die je – met weinig respect voor de anderen – het ‘betere publiek’ zou kunnen noemen, na de oorlog begon het bezoek aan het museum aan te trekken. Had het museum in de jaren dertig gemiddeld zo’n 2000 bezoekers per jaar, beginjaren vijftig waren dateral ongeveer 8000. De drempelvrees was duidelijk minder aan het worden, de provincie investeerde meer in het museum en de belangstelling voor de Drentse cultuur was groeiende. Het museum was inmiddels omgedoopt in Provinciaal Museum van Drenthe. Sinds de zomer van 1954 – het jaar dat het Drents Museum zijn eeuwfeest vierde – had de organisatie zijn eerste’echte’directeur gekregen in de persoon van Gijsbertus Cornelis Helbers.

Hij was geen archeoloog, maar afkomstig uit de monumentenwereld. Van Helbers is het idee afkomstig om het Drents Museum uitte breiden met het naastgelegen Ontvangershuis. Hij wilde in het Ontvangershuis – het oudste Asser woonhuis – stijlkamers inrichten om de bezoekers te kunnen laten kennismaken met de Drentse geschiedenis, met name de achttiende eeuw. De uit 1698 stammende voormalige dienstwoning van de ontvanger-generaal van Drenthe had sindsdien een groot aantal eigenaren gehad. Het was onder andere Jonge-jufvrouwen Dag- en Kostschool geweest en het eerste onderkomen van de Asser Muziekschool. In 1957 was het pand eigendom geworden van de provincie die het aan het Drents Museum beschikbaar stelde.

Onder leiding van Helbers werd het Ontvangershuis gerestaureerd en ingericht zoals het er in de achttiende eeuw zou kunnen hebben uitgezien. In die tijd fungeerde het huis als ‘Prinsenhof’; als de stadhouder de Landschap Drenthe bezocht, logeerden hij en zijn gevolg in het Ontvangershuis. Helbers ontwierp ook de tuin met buxushaagjes in Lodewijk XlV-stijl achter het Ontvangershuis en wist elders passend tuinmeubilair en hekwerk op de kop te tikken. Met de opening van het Ontvangershuis was Assen niets meer of minder dan een toeristische trekpleister rijker geworden. Lees bijvoorbeeld Het Vaderland van 29 augustus 1964. De enthousiaste verslaggever eindigde zijn paginagrote reportage met een lange volzin: ‘Het totaalbeeld dat we van dit met veel toewijding en goede smaak geleide museum meenamen, was er één van een provinciaal cultureel centrum van verrassende veelzijdigheid dat we iedere bezoeker van het Noorden van harte kunnen aanbevelen.’
Het nieuwe museum van Corneille F. Janssen

Na zijn pensionering in 1967 werd Helbers opgevolgd door de flamboyante Corneille F. Janssen. Net als zijn voorganger combineerde Janssen zijn directeurschap van het museum met de functie van hoofd van het provinciaal Bureau Monumentenzorg. Janssen was veel meer een monumentenman dan een museummanager. Zijn visitekaartje gaf hij af met de herbouw van het oude kasteel van Coevorden waar hij een compleet nieuwe toren bij’bedacht’en het hele kasteel vervolgens bloedrood liet verven. Al spoedig kon Janssen ook in zijn eigen Drents Museum z’n kunsten gaan vertonen. Het museum zou verhuizen naar het Provinciehuis aan de Brink. Er werd een nieuw provinciehuis in het Westerpark gebouwd en de provincie besloot het museum haar oude huis te schenken.

Drents Museum en Rijksarchief kampten al jaren met veel ruimtegebrek. Onder zijn leiding werd de restauratie van Abdijkerk, Gouvernementsgebouw en Drostenhuis voortvarend aangepakt. Regelmatig had Janssen het aan de stok met de Rijksdienst Monumentenzorg, bijvoorbeeld over de restauratie van de Abdijkerk. Was het een middeleeuws gebouw? Een zeventiendeeeuwse kerk? Een negentiendeeeuws bestuursgebouw? Hij wierp zijn volle gewicht in de strijd en kreeg doorgaans zijn zin. Vanaf 1973 werd het museumcomplex afdeling voor afdeling in gebruik genomen. Het bezoekersaantal steeg snel richting 50 duizend bezoekers per jaar. In 1980 verliet Janssen het Drents Museum. Hij mocht zich voortaan alleen richten op de Drentse monumenten. Janssen was er niet echt rouwig om.
In de rij voor het museum

Met Gerrit Horstmann als nieuwe directeur ging het museum in de jaren tachtig een nieuwe fase in. Het Drents Museum ontwikkelde zich tot een modern, professioneel geleid museum dat zich richtte op een groot publiek. Was het museum tot dan toe vooral bekend om zijn archeologische en historische collecties, in de jaren tachtig kwam daar als nieuwe specialiteit de hedendaagse figuratieve kunst bij van kunstenaars als Henk Helmantel, Matthijs Röling, Wout Muller en Pieter Pander bij. Inmiddels heeft het Drents Museum een van de belangrijkste collecties figuratieve kunst in Nederland. Verder had het museum sinds 1978 de kostbare collectie van de Stichting Schone Kunsten rond 1900 met werken van Berlage, Jan Toorop en Chris Lebeau in beheer.

Opnieuw onderging het Drents Museum een belangrijke verbouwing. Halverwege de jaren negentig kwamen er behalve een onderdoorgang naar het Ontvangershuis ook grote nieuwe ruimten tussen de vleugels van het oude Gouvernementsgebouw. Het museum had voortaan ruimte om grote exposities te bouwen.Tentoonstellingen als The Mysterious Bog People, 100.000jaarSex en Brullende motoren en bruisend bier (over de Asser TT) trokken tienduizenden extra bezoekers richting museum. Het Terracotta Leger vanXi’an maakte 2008 tot het meest succesvolle jaar in de geschiedenis van het museum tot nu toe. Dagelijks stonden er lange rijen op de Brink te wachten om een kaartje te kopen. Er kwamen dat jaar ruim 380 duizend bezoekers en dat bezorgde het Drents Museum de vijfde plaats van de best bezochte Nederlandse musea in 2008.