De geschiedenis van het Asser Bos

Bron : in en om Assen van Sietse Kooistra

Bronvermelding:
Asser Historisch Tijdschrift; nummer 4 / december 1993. Een artikel van J.T. Battjes. (Dit artikel is gebaseerd op gegevens, door de auteur verzameld voor een studie, over de ruimtelijke ontwikkeling van Assen, te verschijnen in de Asser Historische Reeks.)

rode%20heklaan-bordermakerDe Rode Heklaan in het Asser Bos gezien in zuidelijke richting (foto Sietse Kooistra)
Het bos in de marke van Wittenkaart01

Het gebied van het tegenwoordige Asserbos en omgeving maakte in de Middeleeuwen deel uit van de marke van Witten. Het hier vanouds aanwezige bos was gemeenschappelijk eigendom van de markegenoten. Ergens in dit gebied verrezen, misschien al vóór 1150, ten minste twee “erven” ofwel boerderijen. Toch zal deze streek nog voor een groot deel met bos bedekt zijn geweest, toen in of kort na 1260 juist ten oosten van de Weiersloop op het grondgebied van één van de twee erven het klooster Mariënkamp werd gebouwd. Het klooster verwierf vanaf de veertiende eeuw steeds meer bezittingen in de marke van Witten. Rond het midden van de zestiende eeuw was de gehele marke, inclusief het daarin gelegen bos, zelfs haar eigendom geworden.

Een bos had in die tijd een belangrijke gebruiksfunctie. Zo werd er vee geweid, gejaagd en werden er vruchten geplukt. Een bos leverde echter vooral hout, zowel brand- als constructiehout. Daarnaast ontstonden door ontginningen plaatselijk open plekken, zoals wei- of hooilanden langs de beekjes en essen en heidevelden in de hoger gelegen delen. Een voorbeeld daarvan was de “Oosterhoutes”, die in het gebied tussen de huidige Zuidersingel en de Wilhelminastraat lag. De naam van deze es verwees naar het bosgebied ten oosten van de weg naar Halen, de huidige Beilerstraat.
“s Landschaps Plantagie”

In 1600 kwam het Asser klooster met al zijn bezittingen in het bezit van de Landschap Drenthe. Het bos werd nu ‘”s Landschaps Plantagie” genoemd. Hoe groot het bos in die tijd was is niet precies bekend, maar het strekte zich toentertijd nog uit ter weerszijden van de Beilerstraat en bestond hoofdzakelijk uit kreupelhout met daartussen zware eiken. De Assenaren beschouwden het bos kennelijk als hun eigendom, waar zij naar hartelust hout konden kappen. Drost en Gedeputeerden – het ‘provinciaal bestuur’ – vaardigden daartegen al in 1608 een verbod uit. Na drie overtredingen ervan zou men uit Assen worden verbannen. Kennelijk was dat niet zo’n erg vooruitzicht, want het kappen ging gewoon door. In 1609 werd daarom een bosbewaarder aangesteld.

Het verbod paste overigens geheel in het toenmalige beleid, dat gericht was op bescherming van de Drentse bossen. In 1608 hadden Drost en Gedeputeerden namelijk geconstateerd dat deze ten gevolge van oorlogsomstandigheden – men zat midden in de Tachtigjarige Oorlog -“binaest algeheel syn vernietiget ende afgehouwen”. In 1609 werd het gebruik van eikehout in Drenthe daarom van hogerhand beperkt. Drie jaar later volgde de verplichting om in elk dorp jaarlijks nieuwe bomen te planten. Dergelijke beschermende maatregelen maakten overigens weinig indruk, want ze moesten in de loop der jaren diverse malen worden herhaald. Het provinciaal bestuur wilde met het kapverbod echter ook de eigen financiële belangen beschermen.

Zo werden 200 eiken uit het Asserbos in 1608 voor een flink bedrag verkocht aan de stad Groningen. Daar werden ze gebruikt voor de uitbouw van de vestingwerken, waarmee de stad in dat jaar was begonnen. De door het kappen ontstane open plekken werden waarschijnlijk niet opnieuw beplant en het bos werd daardoor aantrekkelijk als weidegebied. Ook daar waren Drost en Gedeputeerden niet van gediend. In 1620 werd ook met verbanning gedreigd als men vee in het Asserbos liet lopen. Maar praktisch iedereen maakte zich daar schuldig aan, zodat uitvoering van het vonnis zo ongeveer de ontvolking van Assen zou hebben betekend. In 1635 volgde dan ook een herhaling van het verbod, omdat anders “groot verderff van het gewas” zou optreden.

Behalve door houtkap en het weiden van vee werd het bos ook aangetast door ontginningen. Soms werd daar wel iets tegen gedaan. Het bos ten oosten van de Beiierstraat, het “Asserholt”, veranderde langzamerhand deels in moestuinen, maar in 1669 besloten Ridderschap en Eigenerfden – de ‘Provinciale Staten’ van Drenthe – dat dit gebied weer met bomen moest worden beplant. In het bosgebied ten westen van de Beilerstraat waren inmiddels zelfs een aantal boerderijen verrezen. Op den duur was praktisch het hele gebied tussen de Bosbeek en het Stadsbroek ontgonnen en veranderd in heideveld en bouwland. Over het algemeen pachtten de boeren de grond van de Landschap. Zo lag de boerderij Harkenhofstede in de buurt van het huidige restaurant de Hertenkamp, met gronden tot aan het Stadsbroek.

De boerderij Veldcamp lag ten zuiden daarvan, met gronde tussen de Bosbeek en het Stadsbroek, terwijl de Crewerskamp ten noorden van de huidige Hoofdlaan lag. In tegenstelling tot het traditionele Drentse beeld, waarbij akkerland aaneengesloten in de vorm var essen tot stand kwam, was er hier dus sprake van zogenaamde ‘kampontginningen’. Het bosareaal slonk hierdoor behoor lijk. Toen een zekere Mr. M. Beelaerts in 1691 een reis door Drenthe maakte, noteerde hij van Assen dat het “niet onvermaeckelijck aen een kleyn bosje” lag. Vijftig jaar later, in 1741, gaven Ridderschap en Eigenerfden toestemming het bos aan de oostzijde van de Beilerstraat te verkopen. De Landschaps Plantagie kromp daardoor in tot ongeveer het gebied tussen de Beilerstraat en de Bosbeek. Delen van dit “Groote Holt” waren toen trouwens ook al veranderd in moestuinen.

Op dit fragment van de “Kaart van de aanleg der Haaler en Witter veenen met benaming van het Kloosterenveen, benevens de situatie van Assen” uit circa 1811 is de situering van Assen in de marke van Witten en de enorme oppervlakte van het Asserbos in relatie met het kleine plaatsje Assen duidelijk te zien (Rijksarchief in Drenthe, Topografische Atlas, nr. 183)
De aanleg van het Sterrebos

Na het midden van de achttiende eeuw begon men in te zien dat er nodig iets moest worden gedaan aan het Asserbos. Op initiatief van landschapsklerk Wolter Hendrik Hofstede werd vanaf 1760 een omvangrijk project tot uitvoering gebracht om het nog aanwezige bos te verfraaien en op grote schaal nieuw bos aan te planten. De bedoeling van deze nieuwe aanleg was onder andere om de status en de aantrekkelijkheid van Assen te vergroten door het scheppen van een wandelgebied met de nodige voorzieningen, zoals geschilderde banken en wandelpaden. De voornaamste wegen in de nieuwe aanleg waren en zijn de Hoofdlaan, de Rode Heklaan en de Roldertorenlaan, van oorsprong aangelegd met een breedte van vijf meter. Dit zijn ook de enige wegen die later zijn verhard.

De andere paden waren in het algemeen twee a drie meter breed. Hofstede koos bij de aanleg van het nieuwe bos de vorm van een Sterrebos, waarbij zeer lange, rechte paden elkaar hier en daar als het ware stervormig kruisen. Dergelijke Sterrebossen komen meer voor. In Groningen bijvoorbeeld liet de stadshovenier in 1765 het noordelijke deel van het huidige Sterrebos aanleggen, waarbij één van de acht lanen precies op de Martinitoren werd gericht. Zou hij soms door het Asser voorbeeld zijn geïnspireerd? Men veronderstelt wel, dat de vorm van het Sterrebos van oorsprong is gebaseerd op de jacht: tussen de wigvormige paden kon het wild naar één punt worden opgejaagd, terwijl de rechte paden ideale schootsvelden vormden.

Wat hier van zij, later ging in ieder geval het visuele aspect een belangrijke rol spelen. In de zeventiende eeuw raakte in Frankrijk onder invloed van de Barok het creëren van lange, dominante assen en van zogenaamde zichtlijnen in de mode. Hofstede maakte in het Asserbos twee echte zichtlijnen: de in 1780 aangelegde Hoofdlaan is gericht op de toren van de Abdijkerk en de Roldertorenlaan, de meest zuidelijke laan wijst precies in de richting van de toren van Rolde. Verder werd de Twaalf-urenlaan zo aangelegd, dat de zon hier om 12 uur ’s middags precies boven zou staan. Als aanvulling op de strenge, regelmatige en rechtlijnige paden werden door Hofstede ook diverse cirkelvormige paden toegevoegd.

Het project begon in 1760 met het zaaien van zaden van eiken, beuken en dennen, zodat deze na enige jaren konden worden gepoot. Verder werden in het gebied tussen de Bosbeek en het Stadsbroek gronden aangekocht of geruild. De pachter van de Harkenhofstede, die zijn huis en landerijen had verwaarloosd, werd eenvoudig de huur opgezegd. De pachter van de Veldcamp kreeg in ruil grond aangeboden in Luchiesland. Niet alles werd aangekocht. Zo bleef de “Kommerkamp”, een stuk bouwland, nog tot zeker na 1880 particulier bezit. Daardoor sluit de Rode Heklaan nog steeds met een ‘knik’ aan op de Roldertorenlaan. Ook het landgoed “De Eerste Steen” bleef heel lang een particuliere enclave.

De laag gelegen graslanden ten zuiden van de Bosbeek, ook wel Goor genoemd, bleven dat zelfs tot in deze eeuw. In het voorjaar van 1763 werd het kreupelhout in het “Groote Holt” gekapt en een jaar later werden op de open plekken de eerste bomen gepoot, te weten 3.440 grove dennen. Het heideveld, het bouwland en diverse veengebiedjes in het gebied tussen de Beilerstraat en de latere Hoofdlaan werden in 1765 en 1766 ingeplant. Hier hadden de Harkenhofstede en de Veldcamp gelegen. De aanplant werd daarna voortgezet in noordelijke richting. Volgens aantekeningen van Hofstede zijn alleen al in een periode van acht jaar tijds ongeveer 56.000 dennen, ruim 2.300 eiken en ongeveer 650 beuken gepoot.

De eiken werden voornamelijk geplant op de wat hoger gelegen oude bouwlanden ter weerszijden van de Goorlaan en in het oude bos en de beuken als laanbeplanting, hoewel ze ook wel werden gemengd met eiken. Het hele project eindigde in 1784. De eigenlijke aanplant is dus in een tijdsbestek van ruim 20 jaar uitgevoerd. De “nieuwe plantage” kostte in totaal ongeveer ƒ 13.444,-. De verkoop van hout had echter ƒ 6.078,- opgeleverd, zodat het nieuwe bos per saldo werd aangelegd voor ruim ƒ 7.300,-. De oppervlakte van het “Groote Holt” omvatte volgens een kaart uit 1809 ongeveer 12 ha. en het nieuw aangelegde Sterrebos ten zuiden van de Witterstraat ongeveer 102 ha., de open graslandenclave niet meegerekend.

In totaal was dus een bos met een omvang van 114 ha. ontstaan, wat tamelijk omvangrijk is te noemen in relatie tot de geringe omvang van de plaats Assen zelf in die tijd. Na de bosaanleg ging de verkoop van bomen uit het Asserbos trouwens gewoon door. Zowel in 1783 als in 1785 was daar sprake van, maar men ging nu wel zorgvuldiger om met het nieuwe bos. Nadrukkelijk werd bepaald, dat de open plekken weer met eiken en beuken moesten worden beplant, de beuken langs de slingerpaden en de eiken langs de overige tussenruimten.

De Hoofdlaan door het Asserbos omstreeks 1903hoofdlaan
De relatie tussen bos en omgeving

Het oude, verfraaide deel van het bos werd in hoofdlijnen begrensd door de Beiierstraat, de Bosbeek en de Hoofdlaan. Het noordelijke deel van de Beilerstraat had toen overigens een iets ander verloop dan nu. Het bos liep oorspronkelijk door tot en met het huidige Kerkplein. Ook was er van oorsprong sprake van een strook bos ten noorden van de Hoofdlaan, tussen het huidige Kerkplein en de Kerkhofslaan. In 1780 werden percelen verkocht langs de zuidzijde van de Vaart, waarbij de zuidelijke begrenzing werd omschreven als “opschietende tot an het Groote Holt”. De Hoofdlaan liep in die tijd dus vanaf het huidige Kerkplein dóór het bos, in plaats van dat het een laan was naar het bos.

De grenzen van het nieuw aangelegde Sterrebos werden in het oosten gevormd door de Bosbeek en de Beilerstraat en in het zuiden en westen door de Stadsbroekloop en het laag gelegen Broek. Hofstede koos in het westen voor een rechte grenslijn, waardoor kleine gedeelten van de hier aanwezige broekgronden in het bos kwamen te liggen. Op de kaart uit 1809 is af te leiden dat de lanenstructuur zich oorspronkelijk voortzette ten noorden van de Witterstraat, op het huidige kazerneterrein. Kennelijk is het de bedoeling geweest dat dit gebied in zijn geheel onderdeel zou worden van het Sterrebos. Dit blijkt ook uit het jachtverbod dat in 1783 werd ingesteld voor ‘”s Landschaps Plantagie te Assen tussen den Beilerpostweg en den Zaagmolen.”

Het verbod gold dus nadrukkelijk ook voor het gebied ten noorden van de Witterstraat. Het latere kazerneterrein was evenwel onder de naam “Klapkampen” in ieder geval al in 1807 in particulier bezit van Petrus Hofstede, een zoon van Wolter Hofstede. Hoewel men dat misschien niet direct zou vermoeden, is er ruimtelijk gezien een relatie tussen het Asserbos en de Drentsche Hoofdvaart. Het laatste, rechte gedeelte daarvan is net als de Hoofdlaan op de toren van de Abdijkerk gericht en de as van de Hoofdvaart en de as van de Hoofdlaan snijden elkaar onder een hoek van precies 30 graden. Met recht kan men hier spreken van de ‘assen van Assen’. Dit is niet toevallig. Hofstede was ook de stuwende kracht achter de aanleg van de Hoofdvaart.

Samen met landmeter Lambartus Grevijlink heeft hij in 1768 het tracé van de Drentsche Hoofdvaart voorgesteld. De Hoofdvaart heeft vanaf Kloosterveen een aantal ‘knikken’, hetgeen samenhangt met de mogelijkheid van veenontginning. Vanaf de laatste knik, bij de toenmalige zaagmolen, speelde veenontginning geen rol meer. Hier heeft men het tracé van het laatste deel van de Vaart eenvoudig op de Abdijkerk gericht. Dit deel van de Vaart is overigens pas in 1780 gegraven. Toch heeft dit tracé van de Vaart kennelijk de richting van de Hoofdlaan bepaald en daarmee de richting van vele andere paden in het bos. Bij het graven van de Vaart werd in 1780 ook de Witterstraat meer naar het oosten verlegd, volgens het huidige tracé.

Voordien liep de Witterstraat ongeveer langs de zaagmolen. De plaats van de huidige Witterbrug is zo gekozen, dat de nieuwe Witterstraat evenwijdig aan de Hoofdlaan kwam te lopen. De samenhang van het bos met de kern van Assen kreeg vooral gestalte door de aanleg van de Torenlaan tot aan de Brink in 1809, exact in het verlengde van de Hoofdlaan. De totale lengte aan rechte wandelpaden in het Asserbos bedroeg ongeveer 17,7 km. Daarvan is nu nog ruim negentig procent aanwezig, zodat we kunnen stellen dat de oorspronkelijke structuur in hoofdlijnen bezien verrassend goed bewaard is gebleven.

Al met al betekende de aanleg van het Sterrebos een zeer belangrijke en omvangrijke ruimtelijke ingreep voor Assen. In de stedebouwkundige ontwikkeling van deze plaats is 1780 een heel belangrijk jaar, met het graven van het laatste stuk van de Vaart en de aanleg van de Witterstraat en de Hoofdlaan, met name ook door de grote onderlinge samenhang van deze elementen. Met recht mag Wolter Hendrik Hofstede dan ook de eerste stedebouwkundige van Assen worden genoemd
Bosbeheer in de negentiende eeuw

Het Asserbos werd in 1798, net als andere Landschapsbezittingen, eigendom van de centrale overheid in de vorm van de Bataafsche Republiek en vanaf 1806 het Koninkrijk Holland. In 1809 bracht koning Lodewijk Napoleon een bezoek aan het Departement Drenthe, waarbij hij ook Assen bezocht. Bij die gelegenheid schonk hij het Asserbos aan de gemeente onder voorwaarde dat de Hoofdlaan zou worden doorgetrokken naar de Brink. Daaraan werd nog in datzelfde jaar uitvoering gegeven door de al genoemde aanleg van de Torenlaan. Bijna 25 jaar later, op zondag 2 juni 1833 werd het bos getroffen door een grote brand, waarschijnlijk in het zuidelijke deel. Daar loopt nu immers nog een laan met de naam ‘Brandlaan’.

Bluswater was in de nabijheid niet te vinden, maar gelukkig waaide de wind uit een gunstige richting. Deze omstandigheid en de grote inzet van de Assenaren voorkwamen dat het hele bos verloren ging. De schade bleef nu beperkt tot ruim 3 ha., voornamelijk bezet met deels jonge en deels wat oudere dennen. Maar ook veel oude bomen waren beschadigd en moesten worden gekapt. De Drentsche en Asser Courant sprak van “eene aanmerkelijke verwoesting” en vermeldde verder: “Het gezigt van deze door het vuur aangerigte vernieling is akelig”. B. en W. kwamen de dag na de brand met een met de nodige maatregelen. Ze maakten bekend dat het verboden was “met eene brandende pijp, zonder dopje, of brandende sigaren op straat, in het bosch of op andere plaatsen te gaan”.

Ook werd een brandwacht van vier man ingesteld, die het bos dag en nacht moest bewaken. Omdat er een paar dagen eerder ook al een klein brandje in het bos was geweest, doken er geruchten op dat er sprake zou zijn van brandstichting. Op 17 juni herinnerden B. en W. daarom aan artikel 434 van het Wetboek van Strafrecht, waarin de doodstraf werd bepaald op het opzettelijk veroorzaken van brand in bossen, “wordende de ouders en hoofden der huisgezinnen op het nadrukkelijkste verzocht om hunne kinderen en onderhoorigen tevens van deze wetsbepaling kennis te doen dragen”. Naast andere motieven werd deze zorg van het gemeentebestuur voor het Asserbos ingegeven door het financiële belang ervan.

Assen was pas in 1807 een zelfstandige gemeente geworden en het bos vormde voor de jonge gemeente een belangrijke bron van inkomsten. Tegenover lage uitgaven voor aanplant en onderhoud stonden inkomsten van enige duizenden guldens uit de verkoop van hout. Op de gemeentebegroting werd dit jaarlijks zelfs als een vaste inkomstenpost opgevoerd. In feite was er op deze manier echter sprake van roofbouw. Gelukkig zagen B. en W. dat later ook in. In 1857 meldden zij aan de gemeenteraad “dat op den duur niet voor zulk een aanzienlijk bedrag kan verkocht worden, indien we niet willen handelen als in de fabel van de gans met het gouden ei.” Men besloot dan ook de jaarlijkse verkoop van hout sterk te verminderen.

Dat het ernst was bleek toen het gemeentebestuur in 1873 een voorstel afwees om voor ƒ 20.000,- aan dennehout te verkopen. Twintig jaar later besloot de gemeenteraad op voorstel van een in 1878 ingestelde “boschcommissie” om de jaarlijkse houtverkoop nog verder te reduceren. Behoud van het bos speelde ook bij de burgerij, zij het vanuit andere motieven. Vooral het kappen van oude bomen ging haar aan het hart. Dit kwam bijvoorbeeld aan het licht nadat in maart 1871 een zelden aangetroffen zwarte vlinder in het bos werd gevangen. Naar aanleiding daarvan bood de vinder een door hemzelf geschreven lang gedicht aan aan Mr. Lucas Oldenhuis Gratama, rechter bij het provinciaal gerechtshof, lid van Provinciale Staten en van de Tweede Kamer en daarnaast zeer actief op maatschappelijk gebied, die hij beschouwde als voorstander van boscultuur.

In zijn aanbiedingsbrief klaagde de Assenaar: “Het Asserbosch heeft in de laatste jaren veel van zijn woudachtig karakter verloren en hakt de bijl daar naar hartelust rond, tot groote smart van de bewonderaars van oude bomen”. Ook de aanleg in 1875 van het Van der Feltzpark, waarbij voor de bouw van een paar huizen tal van prachtige eiken moesten sneuvelen, leidde tot hevige protesten vanuit de bevolking

Café Bellevue op een ansichtkaart uit het begin van de 20e eeuwbelevu
Verfraaiingen onder gemeentelijk beheer

Al in 1836 besloot het gemeentebestuur van Assen om het Asserbos te verfraaien door het graven van een vijverpartij, die vanaf 1895 bekend is onder de naam Oude Vijver. Van de vrijgekomen grond werden ophogingen gemaakt. Bij deze plek zijn jarenlang allerlei zendingsbijeenkomsten gehouden. Eén van de “spreekgestoelten bij zendingsfeesten” was zelfs in de vijver gebouwd, midden tussen de waterlelies. Men kon het via een smal bruggetje bereiken. Een andere verfraaiing sproot voort uit de vangst van een koningshert bij Gasselternijveen in 1840. Het hert werd aanvankelijk aangeboden aan de Commissaris des Konings, maar in 1842 werd het door diens weduwe op haar beurt aangeboden aan burgemeester Oosting van Assen.

De burgemeester wilde Assen wel verrijken met een bezienswaardigheid, maar de gemeenteraad schrok terug voor de ƒ 80,- die met de aanleg van een hertenkamp gemoeid zou zijn. Pas toen enige notabelen te kennen gaven dat zij het bedrag voor hun rekening zouden nemen, ging de raad akkoord. In 1856 werd “het bos, dat de daarin gelegen Hertenkamp met de daartoe behorende herten bevat” door de Commissie van Beheer overgedragen aan de gemeente Assen. In 1881 werd de waterafvoer in het bos verbeterd en werden de paden door verhoging en verbreding beter bewandelbaar gemaakt. Wellicht zijn toen ook een aantal van de huidige ‘slingerpaden’ aangelegd, als aanvulling op de kaarsrechte wandelpaden.

Een en ander werd met gemeentesubsidie uitgevoerd in het kader van werkverschaffing. Wederom in het kader van werkverschaffing werd in 1895 in een laag gelegen, nat en venig gebied, waar nauwelijks bomen konden groeien, een vijverpartij gegraven. De vrijgekomen grond werd gebruikt voor de aanleg van het heuveltje aan de zuidzijde van de vijver. Dit project, naar een ontwerp van J. Vroom uit De Punt, werd uitgevoerd door de gemeente met medewerking van de vereeniging Armenzorg en de diaconie van de Hervormde gemeente. Het werd bekend als de “Nieuwe Aanleg” of de “Nieuwe Vijver”. In 1906 werd tegenover de Nieuwe Aanleg een kiosk van de VVV geplaatst.

Nabij deze plaats werd in 1939 een nog steeds aanwezige gedenksteen met een bronzen plaquette met de beeltenis van Wolter Hendrik Hofstede onthuld. Door dit alles steeg de aantrekkelijkheid van het Asserbos als wandelgebied. Maar niet iedereen kwam er wandelen. De schilder Roessingh herinnerde zich dat welgestelde dames, waaronder zijn moeder, zich in een koets door het bos lieten rijden… Het bos was lange tijd overigens niet alleen uit recreatief en financieel oogpunt van belang. Er werden ook economische activiteiten uitgeoefend. Zo was vóór 1880 een touwslagerij werkzaam in wat nu nog de Touwslagerslaan heet. Een dergelijk bedrijf had voor de fabricage van touw een lange, rechte baan van enige honderden meters nodig.

Nabij de Beilerstraat, waar nu in het bos een paar plekken zijn met naar verhouding vrij jonge bomen, was vroeger de Kleedklopperij, waar men kleden kon laten kloppen. Over tussen de bomen gespannen dikke touwen werden de grote, zware vloerkleden van deftige families gehangen en dan sloegen de baas en zijn knechten met lange stokken het stof eruit. Pas met de komst van stofzuigers kwam hieraan een einde. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Nieuwe Vijver vergroot. Daarbij ontstond in 1950 ook het “eiland”. Van de uitgegraven grond werd het openluchttheater Tivoli ingericht. Iets ten noorden van het openluchttheater heeft vroeger een uitspanning met deze naam gestaan en van 1879 tot 1887 was hier zelfs een dierentuin geweest.

In 1958 werden op het eiland van de Nieuwe Vijver diverse onderkomens voor dieren, waaronder een volière, gebouwd. Aansluitend hierop werd in 1982 de kinderboerderij ‘De Hofstede’ gebouwd. In datzelfde jaar werd het inmiddels vervallen openluchttheater gesloopt. Het vroegere theater maakt nu als weiland onderdeel uit van ‘De Hofstede’. In 1969 werd ten westen van de Boshof begonnen met de aanleg van een Heemtuin. Hier zijn verschillende milieus geschapen, waarin een bepaalde vegetatie zich op een zo natuurlijk mogelijke manier kan ontwikkelen. Het hierbij gelegen, lage grasland wordt thans verschraald, waardoor de oorspronkelijke vegetatie hier weer een kans kan krijgen. In dit gebied heeft jarenlang een ijsbaan gelegen van de ijsclub Voorwaarts. De ijsclub was hierheen verhuisd, nadat ze vanwege de uitbreiding van het kazernecomplex haar vorige baan kwijtraakte. Het voormalige, met riet gedekte gebouw van de ijsclub is in 1975 afgebrand.
Niet gerealiseerde plannen

Het Asserbos is in zijn bestaan vele keren veranderd en verfraaid, maar er zijn ook diverse ingrepen blijven steken in het stadium van plannenmakerij. Eén daarvan was de aanleg van een spoorlijn door het bos, als onderdeel van een plan van de firma S.H. Balkema & Co. uit 1845 voor de aanleg van een spoorlijn door Drenthe. Het tracé zou “ten westen van Assen door het Stadsbosch langs de laan op de gazfabriek aanschietende, loopen en bij de Witterklap de Hoofdvaart overgaan”. De aanleg was gepland voor 1846, maar door geldgebrek is het er niet van gekomen. Een andere bedreiging vormde enkele jaren later het tracé voor het te graven Noord-Willemskanaal, waarover men in 1854 flink discussieerde in Assen.

Eén van de voorstellen luidde om in zuidelijke richting van de Vaart af te takken, ongeveer ter hoogte waar nu garage Wander staat, om vervolgens “door de Hertenkamp, met een loome bogt door het boschje achter het Gymnasium naar de Holtesch” te gaan, waarna het kanaal in noordelijke richting zijn vervolg zou vinden. De plannenmakers zagen wel financieel voordeel in de verkoop van stukken bos als bouwterrein: men kon dan aan het kanaal wonen en de gemeente Assen kon uit de verkoop de subsidie voor de kanaalaanleg terug verdienen. Weliswaar moesten hiervoor de nodige eiken sneuvelen, dat zag men ook wel in, maar die stonden toch al niet meer op voordeel, zo meende men. Met enige regelmaat zijn ook plannen ontwikkeld voor de aanleg van wegen door het bos.

In het allereerste uitbreidingsplan van Assen, uit 1913, is al de gedachte neergelegd van een verbinding tussen Assen-oost en de Vaart, waarbij gebruik werd gemaakt van de Kerkhofslaan. In het uitbreidingsplan van 1937 vinden we deze gedachte terug, maar nu met een nog belangrijkere functie voor deze weg. De uitvoering hiervan zou een volstrekte scheiding tussen het oude en het “nieuwe” bos hebben betekend. Meer recent is een dergelijk voorstel neergelegd in een studie uit 1968, waarin onder andere een weg dwars door de Hertenkamp en langs de Kerkhofslaan was opgenomen. Een heel ander plan was in 1890 om in het Asserbos een krankzinnigengesticht te bouwen.

Het gebouw, met onderkomens voor 200 patiënten, zou komen te staan aan de Hoofdlaan, bij de kruising met de Rode Heklaan. Ook dit plan is door geldgebrek niet doorgegaan. Eveneens uit de vorige eeuw stammen plannen om achter de HBS een sanatorium te bouwen. Verder werden toen plannen gemaakt om nabij de Oude Vijver een zwembad te realiseren. In deze sfeer past ook het plan uit 1950 om op het terrein van de gasfabriek een badhuis te bouwen. Ter verfraaiing van het bos werd in 1881 voorgesteld om een gedeelte van het bos te veranderen in “een lustpark met jong plantsoen, bloem- en gazonperken, met tunnels, grotten en zwemplaatsen”. Het bleef bij voorstellen.

Ideeën over een verdere recreatieve inrichting van het bos bleven echter leven. In de jaren zestig van deze eeuw werd het in planologisch opzicht mogelijk gemaakt om in een groot gedeelte van het bos, in de omgeving van de Nieuwe Vijver, allerlei recreatieve voorzieningen aan te leggen. Het inwonertal van Assen nam in deze tijd snel toe en men wilde de inwoners voldoende ontspanningsmogelijkheden bieden. In verband hiermee werd in 1971 in een bestemmingsplan voor dit gebied ook de mogelijkheid opgenomen dat bepaalde lanen, waaronder de Twaalfurenlaan, ten behoeve van het autoverkeer verhard konden worden.

Al deze plannen zijn niet doorgegaan. Het gemeentelijke uitbreidingsplan van 1937 bevatte eveneens een voorstel voor de bouw van villawoningen langs de BeiIerstraat, op de daar aanwezige weilanden die het Asserbos indrongen. Dit is niet doorgegaan. In plaats daarvan is in de jaren vijftig De Boshof gebouwd. Daarmee is overigens in visueel opzicht de openheid van de enclave verloren gegaan.tivoli

De uitspanning Tivoli, op deze ansicht ‘Boschhuis’ geheten, stond aan de Hoofdlaan, iets ten noorden van het latere openluchttheater Tivoli. Ansichtkaart uit het begin van de 20e eeuw (collectie Gemeentearchief Assen)
Bosbeheer in de twintigste eeuw

Ondanks alle goede bedoelingen vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw om de houtverkoop te beperken, was men hiermee toch nog niet op de goede weg. Vanuit het oogpunt van bosbouw werd namelijk te weinig hout verwijderd, waardoor een onevenwichtige leeftijdsopbouw van de bomen ontstond en het bos in feite verouderde. Dat kwam ook, omdat het bos niet volgens een vast bedrijfsplan werd beheerd. In 1920 kwam daar verandering in toen Staatsbosbeheer voor het eerst een beheersplan opstelde. Uitgangspunten waren enerzijds om te voldoen aan de eisen die men uit recreatief oogpunt aan een parkbos mocht stellen, terwijl het bos anderzijds toch ook een blijvende bron van inkomsten moest vormen.

In het beheersplan legde men onder andere de nadruk op een verbetering van de bodemstructuur. Ook werd aanbevolen plaatselijk proeven te nemen met het in het bos laten liggen van tak- en tophout. Verder werd een gevarieerder bomenbestand nagestreefd, waarbij met name loofhout meer aandacht zou krijgen ten koste van de spar. Tenslotte werd aanbevolen om jaarlijks ongeveer 465 m! naaldhout te kappen. In 1933 werd het beheersplan aangepast. De jaarlijkse hoeveelheid te kappen hout werd toen bepaald op in totaal 250 m3. In de Tweede Wereldoorlog had het bos zwaar te lijden. De Duitsers lieten duizenden, meestal zware naaldbomen kappen. Ongeveer de helft van de gehele opstand, 8.000 m3, werd geroofd.

Deze hoeveelheid moet worden afgezet tegen de 5 x 250 m3 = 1.250 m3 die volgens het beheersplan in deze periode gekapt had mogen worden. Overigens haalden inwoners van Assen in de oorlog ook hout uit het bos. Aan het einde van de oorlog lieten de Duitsers een tankgracht aanleggen door het bos. Direct na de bevrijding is deze weer gedempt. Bij de bevrijding zelf werd er hevig geschoten op de Beilerstraat, waarbij tientallen bomen door granaatscherven werden getroffen. Door het ondeskundige kappen van bomen in de oorlog was het Asserbos stormgevoelig geworden. Daar komt bij, dat de bodem in het bos grotendeels uit een laag zand bestaat met een dikte van 0,50 a 1,25 meter, met daaronder een ondoordringbare keileemlaag.

De bomen kunnen daardoor niet diep wortelen. De gevolgen bleven niet uit. Bij een zware storm op 1 maart 1949 werden zo’n 1000 bomen ontworteld. Meteen in 1950 begon men de open plekken weer in te planten. Een en ander leidde vanzelfsprekend ook tot grote verkopen van hout, volgens de traditie op de eerste donderdag in januari. Voor deze verkopen was veel belangstelling, want, zoals in de pers werd opgemerkt, “Nergens in ons land hebben de fijnsparren zo’n lengte”. Het hout werd onder andere gebruikt in de Limburgse mijnen. Stormen in 1972, 1973 en 1976 werkten eveneens verwoestend. Hierbij zijn vooral grote gaten geslagen in de naaldbossen, maar ook zeer oude eiken sneuvelden. Bij sommige exemplaren werden in 1972 meer dan 300 jaarringen geteld.

Na de laatste storm is in 1976 een nieuw beheersplan opgesteld. Daarin ligt de nadruk op een meer natuurlijk beheer van het bos. Overeenkomstig dit plan wordt het bos thans beheerd.